Griesmeelpudding van oma
Griesmeelpudding is zo'n heerlijk ouderwets nagerecht dat bij veel mensen herinneringen oproept aan vroeger. Een zachte, romige pudding die in een vorm werd gegoten, goed moest afkoelen en daarna op een schaal werd gestort. Vaak kwam er een flinke scheut rode-bessensap of bessensaus overheen. Het frisse, lichtzure sap vormde een heerlijke combinatie met de zoete pudding. Een eenvoudig nagerecht, maar juist daardoor zo vertrouwd en lekker. Ook in deze moderne tijd kan deze pudding een heerlijk toetje zijn in het weekend. Het kost je wel een beetje tijd maar het zal zeker een succes zijn!
Bereidingswijze
Begin met de melk. Giet deze in een ruime pan en voeg de suiker, vanillesuiker, een klein snufje zout en het stukje citroenschil toe. Verwarm de melk langzaam. Laat hem rustig warm worden en blijf in de buurt van de pan, want melk kan plotseling omhoog komen.
Wanneer de melk tegen het kookpunt aan komt, haal je eventueel de citroenschil eruit. Strooi vervolgens de griesmeel langzaam en al roerend bij de hete melk. Het is belangrijk dat je goed blijft roeren met een garde. Zo voorkom je dat er klontjes ontstaan.
Zet het vuur wat lager zodra de griesmeel is toegevoegd. Laat de pudding al roerend enkele minuten zachtjes koken. Je zult merken dat het mengsel steeds dikker wordt. De griesmeel neemt het vocht uit de melk op en verandert langzaam in een stevige, romige massa. Afhankelijk van de soort griesmeel duurt dit ongeveer 5 tot 8 minuten.
Haal de pan van het vuur wanneer de pudding mooi dik is. Wie de pudding wat voller en romiger wil maken, kan er op dit moment een klein klontje boter doorroeren. Dat past ook goed bij de ouderwetse bereidingswijze; in oudere recepten werd boter eveneens aan de gekookte pudding toegevoegd.
Spoel ondertussen een puddingvorm goed om met koud water. Droog de vorm niet af. Giet de warme griesmeelpudding voorzichtig in de vorm en strijk de bovenkant glad.
Laat de pudding eerst op kamertemperatuur wat afkoelen. Zet hem daarna minimaal 2 uur in de koelkast, maar 4 uur geeft meestal een steviger resultaat. Je kunt de pudding daarom prima al eerder op de dag maken.
De bessensaus
Terwijl de pudding opstijft, kun je de bessensaus maken. Doe het rode-bessensap samen met de suiker in een klein pannetje en verwarm het rustig. Proef even voordat je alle suiker toevoegt: sommige soorten bessensap zijn al behoorlijk zoet.
Roer de maïzena of het aardappelzetmeel los met een eetlepel koud water. Zodra het bessensap warm is, giet je het papje er al roerend bij. Blijf roeren totdat de saus iets dikker wordt. Laat hem niet onnodig lang koken.
Laat de bessensaus daarna afkoelen. Je kunt hem koud over de pudding schenken, maar lauwwarm is ook heerlijk.
De pudding uit de vorm halen
Dit is misschien wel het leukste moment. Haal de pudding uit de koelkast en maak voorzichtig de bovenkant langs de rand van de vorm los met een dun mesje.
Zet een mooie schaal omgekeerd op de puddingvorm. Draai het geheel in één beweging om. Komt de pudding niet direct los? Houd de buitenkant van de vorm dan heel kort onder warm water. Probeer het daarna nogmaals.
Als het goed gaat, komt de pudding mooi uit de vorm en staat er een prachtige, ouderwetse pudding op tafel. Schenk de rode-bessensaus er royaal overheen.
Wil je nog meer smaak? Deze pudding is ook heerlijk met een flinke toef slagroom!
Variaties
